Tot de merkwaardigste mensen uit mijn jeugd behoorden Sarah en haar ouders. Op een ochtend in april verscheen ze in onze klas, de hoogste groep van de basisschool. ‘Jongens, dit is Sarah. Ze komt uit Duitsland,’ zei onze juf.

     ‘Frankrijk,’ corrigeerde Sarah haar. ‘Dat denkt mijn vader. We komen uit Frankrijk.’

     De juf zweeg, zette ons aan het werk en begon onrustig in een multomap te bladeren. Sarah zat schuin voor me, ik zag haar rug en vroeg me af hoe het haar lukte om haar paardenstaart urenlang onbewegelijk in de lucht te laten hangen. Om me heen gingen onrustige jongensogen in haar richting. De meisjes, verzonken in hun schrift, slepen hun messen.

     Op weg naar huis zag ik haar voor mij lopen, om haar schouders een wit tasje met een rode ster. Ik volgde op gepaste afstand. Ze bleek drie huizen verderop in mijn straat te wonen, daar waar de polders begonnen.

      Bij het avondeten begonnen mijn ouders over het nieuwe gezin. ‘Die man met die hoed?’ vroeg mijn moeder.

     ‘Ze dragen allebei een hoed. De vrouw ook.’

     ‘Heb je die al ontmoet?’

     Mijn vader knikte. ‘Charmante dame.’

     ‘Die met die hoge hakken? Blijf uit haar buurt.’

     ‘Morgen gaan we een praatje maken,’ antwoordde mijn vader.

Verhaal speciaal geschreven voor Het Paard van Troje, boekenweek 2017, genummerd en gesigneerd. In de winkel gratis verkrijgbaar. Met dank aan Anthoni Fierloos.