Uit het museum, in het bordeel

Auteur: joost Pagina 1 van 2

Zuidwaarts…

Verdwijnpunt

Het magazijn

Op een middag zag ik vanuit mijn slaapkamer de Chrysler van Opitz ons garagepad oprijden. Ik haastte me naar beneden en wist Opitz op tijd op te vangen, net voordat hij aan zou bellen en door mijn moeder weggestuurd zou worden als de eerste de beste collectant.

     ‘Ik kom jullie halen voor een reisje.’

     Jullie?

     ‘Jou en je vader.’

Ik rende zo stil mogelijk naar binnen, in de hoop dat mama in de garage aan het trainen was met een koptelefoon op haar hoofd en daardoor de motor van de Chrysler niet had gehoord, en ik haalde mijn vader uit de woonkamer. We hadden geluk. Mama was nergens te bekennen.

     Sonia vertrok geen spier toen ik achterin naast haar ging zitten.

     ‘Je pa navigeert, jij let op de vijand,’ zei Opitz tegen me, alsof we op een geheime missie gingen, en mijn vader, die naast hem was gaan zitten, knikte en liet zijn hand liefkozend over het dashboard gaan, alle knopjes en hendels onderzoekend.

     Opitz trapte het gaspedaal in en met een bulderende motor reden we weg. Achter ons onttrok een rookwolk de Duinstraat aan het zicht.

Op de snelweg reed Opitz hard en nonchalant, voortdurend van baantje wisselend, zo erg dat ik misselijk werd, en ook papa keek ongerust uit zijn ogen. Sonia vertrok zoals gewoonlijk geen spier, ze zat naast me met een spiegelende zonnebril op, te doen alsof ze een of andere filmster was, en ik liet haar maar in die waan. Opitz liet een arm uit het raam hangen en wees naar de horizon waar het silhouet van de grote stad opdoemde. We verlieten de snelweg en kwamen via enkele rotondes op een industrieterrein waar we stopten bij een afgebladderde loods. Naast de deur hing een bordje met daarop ‘Chapeau Opitz’. We moesten hem helpen de deur open te trekken.

     ‘Dat is de luchtdruk,’ zei hij. ‘Komt door de temperatuur.’

     Ik dacht dat hij een grapje maakte, maar toen we eenmaal in de loods stonden, raakten we omhuld door koude lucht die uit buizen aan het plafond naar beneden geblazen kwam.

     ‘Een oud mortuarium. Nu gebruik ik het voor mijn hoeden. Alleen koud behouden ze hun vorm. Net als lijken.’

     Sonia en ik gingen dichter bij elkaar staan. Onze adem maakte wolkjes in de lucht.

     ‘Weet je zeker dat de lijken weg zijn?’ vroeg Sonia.

     ‘Dat weet je nooit met lijken,’ zei hij.

     Rijen met kasten reikten tot aan het plafond en in de kasten stonden ontelbare dozen met hoeden, zo ver als het oog reikte.

     Roadrunner

     Montana Peak Crown

     Gunfighter

     Carlson Fedora

     Ringwood

Aan de andere zijde van de loods zagen we dezelfde kasten, nu gevuld met conservenblikken in allerlei soorten en maten. Worst, appelmoes, doperwten, soep. Duizenden blikken soep.

     ‘Hier moet je zijn als de oorlog uitbreekt,’ zei Opitz. ‘Je kan je volvreten met elke dag een andere prachthoed op je kruin terwijl de mensheid zichzelf uitroeit.’

     Scheisse, wie wilde dat niet?

     Mijn vader knikte.

     Opitz legde uit dat die rommel van iemand anders was, een vreemde snuiter met wie hij het magazijn huurde, een knakker die graag compagnon van hem wilde worden maar we wisten uiteraard, zo verkondigde hij, dat Opitz zijn zaken solitair uitoefende. Bovendien zag hij geen heil in een onderneming die hoeden én levensmiddelen verkocht. Het zou hem wellicht geld opleveren (hij fronste), status misschien (hij kuchte), een bedrijf met vestigingen wereldwijd, een gouden toekomst voor zijn dames (brede armbeweging), maar het ging tegen zijn principes in (opgeheven vinger). Een hoed zorgde dat de dromen niet te snel ontsnapten uit dat verwarde brein van ons, terwijl die ingeblikte rommel niets anders was dan door een robot bereidde nachtmerries. In het leven draaide het om andere zaken, om passie en liefde. Zo was het toch? Jongens?

     Sonia en ik zwegen, maar mijn vader zei: ‘Liefde is een vloeistof die, mits zuiver genoeg, bij afkoeling zal kristalliseren.’

     ‘Zo is het maar net, Henri.’

     Uit de binnenzak van zijn colbertjes haalde Opitz een notitieblokje en een potlood en hij zei dat hij de administratie moest doen. Telwerk. Of de kinderen zo vriendelijk waren om zichzelf even te vermaken?

     ‘Ga je mee, Henri?’

     Opitz liep weg, op de voet gevolgd door mijn vader, allebei met de handen op de rug, allebei gewichtig kijkend, alsof ze een uiterst belangwekkende taak gingen uitvoeren.

Sonia en ik slenterden door de grote ruimte en toen we ver genoeg van haar vader waren, boog ze zich naar me toe en fluisterde ze: ‘Ik heb een plan.’

     Een plan?

     ‘Jouw moeder en mijn vader… O kijk!’

     Ze wees naar een hoek van de loods waar een grote, metalen weegschaal stond, eentje waar vroeger pakketten of zelfs mensen op werden gewogen, boksers of jockeys voor een wedstrijd, en misschien was dat laatste wel de reden waarom ze op het apparaat afsnelde. Ze ging op het plateau staan. Vierendertig kilo. Al die tijd wilde ik vragen wat voor een dwaas plan ze nu precies had, met mijn moeder en mijn vader, maar ze duwde me op de weegschaal. Zesendertig kilo.

     ‘Ik wist dat je was aangekomen sinds je niet meer zo idioot doet op die fiets.’

     Ik voelde me beledigd. Ik was niet dikker geworden maar toch was ik ook vereerd door het idee dat ze mij blijkbaar in de gaten hield en dat mijn lichaam haar belangstelling had.

     ‘Mag ik ook even?’

     Opitz was geruisloos onze kant op gekomen, samen met papa. Ik stapte van de weegschaal af en Opitz zette zijn voeten waar de mijne hadden gestaan. Ik knipperde met mijn ogen. Achtenveertig kilo? Hij woog minder dan mijn moeder. Hoe was dat mogelijk?

     Opitz, die mijn verbazing misschien voelde, zei: ‘Engelen nemen zich niet serieus, omdat ze zo luchtig zijn.’

     Was de weegschaal stuk?

     ‘Nu jij, Henri.’

     Mijn vader ging op de weegschaal staan en de wijzer schoot naar de tweeëntachtig kilo.

     Ik ging naast mijn vader staan, en de wijzer schoot precies zesendertig kilo verder. Sonia wrong zich naast ons en toen Opitz. Met z’n vieren stonden we op het plateau, zo dicht mogelijk tegen elkaar aan, en de wijzer hield stil bij tweehonderd kilo.

     Exact.

     Er was niets mis met de weegschaal.

     ‘U zou een goede wielrenner zijn,’ zei ik, en ik had meteen spijt van mijn opmerking. Opitz zou geen goede wielrenner zijn en hij zou nooit wielrenner moeten worden. Godzijdank zei hij niets terug en godzijdank zei ook mijn vader niets. Ik voelde me ongemakkelijk worden en stapte van de weegschaal.

     Opitz schraapte zijn keel en zei dat hij klaar was met de zakelijke kant van het leven. Als wij verder geen dringende zakken in zijn hoedenparadijs te doen hadden stelde hij voor om met z’n allen in de Chrysler te stappen en ergens te gaan lunchen, oesters en witte wijn, en als we dat niet wilden zou hij met evenveel plezier terugrijden naar Brink waar hij met Marcella een dikke sigaar zou roken en wellicht het liefdesspel kon spelen, als mevrouw in een gewillige bui was.

     Hij sloeg amicaal op papa’s schouder.

     ‘Ik zal je wat blikvoer meegeven voor thuis, Henri.’

Buiten was het verstikkend warm. Happend naar adem sleepten we ons naar de auto, zweet gutste langs ons gezicht, en pas toen we met open ramen op de snelweg reden voelden we ons weer enigszins behaaglijk.

     ‘Het contrast,’ riep Opitz boven de motor uit. ‘Dat is de essentie van het leven, Henri. Het contrast!’

Lof

Gouda Käse

Logopedie voor de ziel

Het was onze tweede reis naar Berlijn. Ernst, Micha, Mario en ik. We gingen met de auto en hadden een appartementje in Freidrichshain. 25 euro per nacht. Belachelijk goedkoop. Ernst had het geregeld, Micha deed de communicatie, want hij kwam uit Limburg en sprak normaal Duits. We stonden in de file en de vrouw van het appartement belde. Ze was boos dat we te laat waren.

     Toen we eindelijk aankwamen, vier lacherige jongens in de twintig, onophoudelijk onbeschoft en luidruchtig zoals alleen Nederlanders dat kunnen, barstte ze uit. Ze wees op haar horloge en blafte ons af. Ze was dik en klein en boos.

     Das habben wir verabredet.

     Ze was iemand van de afspraken. Stipt en principieel. Het hele weekend herhaalden we die woorden.

     Het was die reis dat die Oost-Duitse kogelstootster me in de hoek dreef, waarover Micha schreef in de Playboy. We raakten verzeild in een club die The Magnet heett, waar we een optreden van St. Vincent zagen, die niemand toen nog kende. En daarna was het bier en dansen. Ergens in de nacht verscheen dat roodharige meisje met gespierde schouders. Ze zoende me op mijn mond en beet me ongelooflijk hard in mijn tong. Later aan de bar, waar ze grote flessen bier naar binnen werkte, legde ze me uit dat ze logopedist was, geen kogelstootster, en ze was onder de indruk dat ik wist wat dat was.

     Een logopedist die je op de bek neemt en je tong er bijna af bijt om in je bloed te tongen. Kinky shit, maar op termijn alleen maar ellende. Het leek me beter om er tussen uit te knijpen.

     Eenmaal thuis kwam ik erachter dat ik mijn overhemd in het appartement had laten liggen. Een bijzonder wit overhemd zonder kraag, waar ik erg aan gehecht was. Of het was de herinnering aan die logopediste, die mijn overhemd blijkbaar ook de moeite waard vond. Niets zo mooi als bloed op een wit overhemd.

     Via Micha kreeg ik het nummer van de vrouw en in mijn beste Duits, wat toen even slecht was als nu, legde ik haar de situatie uit. Dat ik mijn shirt had laten liggen. En of ze het terug kon sturen.

     Het was even stil.

     Selbstverständlich.

     Duitsers vinden het vanzelfsprekend om fatsoenlijk te zijn.

     Maar ik moest wel iets terug doen.

     Gouda Käse, zei ze.

     Wat?

     Gouda Käse. Of ik die kon opsturen naar haar? Zo’n ronde.

     Geen probleem, zei ik. Komt voor elkaar.

     En lachend hingen we op. Wiedergutmachung, zo heet dat. Zaken doen met de Oostburen. Ik was in mijn nopjes.

     Het shirt arriveerde al binnen enkele dagen.

     In die tijd werkte ik op de Leidse universiteit. Via de postkamer stuurden wij wetenschappers allerlei onzin de wereld rond. Een Gouda Käse naar Freidrichshain kon er vast wel bij. Maar ik kocht geen kaas. Ik had het druk, ik dacht dat het wel allemaal zou loslopen, ik had mijn shirt terug, mijn tong deed nog pijn, ik vergat dat gekke mens uit Freidrichshain.

     Micha werd gebeld. En daarna belde hij Ernst. En die belde mij.

     De vrouw had hem de huid volgescholden. Waar bleef de Käse? Das haben wir verabredet! Waarschijnlijk had ze al dagen haar hele familie lekker gemaakt met het vooruitzicht van zo’n halve kilo Goude Käse. Misschien was haar familie wel erg arm, hadden ze niets te vreten, waren ze in 1945 door de Russen verkracht, en hoopten ze nu eindelijk op een kadootje uit dat rijke Nederland.

     Die nacht kon ik niet slapen. Ik dacht aan logopedisten die mijn tong eraf beten en dikke Oost-Duitse vrouwen die hun kaas kwamen opeisen. De volgende ochtend vroeg kocht ik een kaas bij de supermarkt, pakte het ding in een doos, briefje erbij en verstuurde het met de universitaire post.

     Een dag of vier later belde ze me op.

     De Käse was gearriveerd. Ze waardeerde het zeer, zei ze.

     Ik zei lachend dat de post in Nederland tegenwoordig heel slecht was, niet zo pïnktlich als de Duitse, zo ging dat hier, het was een zooitje sinds de privatisering. Kapitalisme, oder?

     Ja, zei ze. Nederland was niet meer wat het was geweest.

     Zo was het maar net.

     Ik bedankte haar voor het overhemd.

     Mijn tong doet soms nog pijn. Maar dit terzijde.

Q & A

Interview met Jan Stoel over Het bordeel aan het einde van de straat

voor Bazarow Magazine. Je leest het hier.

Bicycle day

Ze ontmoetten elkaar in de bibliotheek,

bij de werken van Albert Hofmann.

Waarom wist naderhand niemand te vertellen,

zelfs zij hield zich stil.

‘Ik ben de nuchterheid zelve,’ zei ze.

Geen spot in haar stem.

Was alles een fata morgana?

Heks of minnares,

het deerde  hem niet, helaas.

Trippend fietste hij naar huis.

Een minimale dosis was genoeg

voor zijn nieuwe leven.

3,5 ster in De Telegraaf. Lees hier de recensie van Eline Verburg van Het bordeel aan het einde van de straat.

Op bezoek bij Jan

Zij wel…

Mijn vrouw zet me af, de kinderen spelen nog even met de hond, en dan vertrekken ze. Wandelen in het Verdronken Land. Zij zal terugrijden, bezweert ze, ik kan biertjes drinken met Jan.
     Jan woont onder een dijk zoals veel mensen hier. Geborgen, zo voelt het. Tenminste: als je niet aan het water denkt dat verderop in de hoogte klotst. We bekijken zijn erf. Zijn nieuwe optrekje is prachtig. Een toevluchtsoord voor kunstenaars.
     ‘Heb je echt je zwembroek mee?’ vraagt hij.
     Overal zijn dieren. Konijnen, kippen, varkens, geiten, katten, nog een hond, een kleine, maar die is jaloers en chagrijnig, zegt Jan.
     De grote hond volgt hem overal. Het is zijn nieuwe hond, een kruising tussen een Husky en een herder. Jan is trots op hem, de hond is trots op zichzelf. Hij blaft niet, dat is fijn. Het is echte vriend. Dat zie je meteen.
     Ik geef hem mijn boek.
     Jan, bedoel ik, niet de hond.
     Op de achtergrond gaat de muziek eeuwig door. Een playlist van jaren negentig rock waarmee ik ben opgegroeid. Een goed teken. Ik vraag naar het zwembad. Ik begin jaloers te worden.
     ‘Eerst praten, dan zwemmen.’
     Jan is een van de weinige mensen die gewoon durft te zeggen dat er leukere dingen zijn dan schrijven. In je tuin scharrelen. Met de dieren spelen. Schrijven is ellende.
     Op het gras staat een glimmende sportwagen.
     Een Fiat Spider, zegt Jan, alsof dat de gewoonste zaak is. Hij rijdt lekker, maar staat te koop.
     ‘Ik neem wat het leven me brengt.’
     Dat zegt hij. Ik moet het onthouden.
     Na een duik in het koude zwembad eten we boterhammen. Vers olijfbrood dat hij in het dorp koopt. We drinken Leffe, maar hij heeft ook iets sterkers.
     ‘Dan kom ik niet meer overeind,’ zeg ik.   

Eenmaal thuis besef ik dat ik eigenlijk in de hemel was. De leegte. De muziek. Die dieren. Het zwembad. De sportwagen. Alles eigenlijk.
     Er was zelf een arts in de buurt. Zijn vrouw.
     Als ik was gebleven, dan zouden we vast pannenkoeken gaan bakken en in die Spider rondscheuren over de dijkjes. De grens over. Naar België. Ja, zo zou het gaan.

Impasse

Hoe plaats je een voetnoot, vroeg ze eens aan mij.
En ik schrok toen ik merkte dat ik het niet meer wist.
De tijd van annoteren is voorgoed voorbij:
een nieuw leven dat is gerezen als de mist.

Niets zo weids als het genot van de kanttekening.
Inzicht of terzijde bij een o zo interessant boek.
Het genot te weten: daar staat mijn handtekening.
Leeg leven geplaatst tegen een zinvol achterdoek.

Nu besef ik hoogstens een voetnoot te mogen zijn
Bij wat voorbij is gegaan. En zelfs dat is ijdele hoop:
als niemand meer weet, wie ik was of wat ik schreef,

is het grote commentaar immers even klein
als een vage herinnering die voorbij sloop,
een schim van wat ons ooit tot schrijven dreef.

Weer eens een gedicht

British Library

De steedse kledij drapeert hem tot stug standbeeld.
Zoals hoertjes tippelen, zo ijsberen de academici,
jachtig en aandacht indachtig. Ze vraagt: Fancy a quick one?

De serveerster draagt haar uniform als een speelpakje.
En godverdomme, in haar open hand veegt ze wederom
niet zijn huisgemaakte flirt, wel zijn dagelijkse kruimels.

In de studiezalen had hij een duizendtal boeken besteld.
Bij elke streling dwarrelt eeuwenoud papier uit zijn haar
en smeult droomstoffen dictie in zijn smoelwerk.

Pagina 1 van 2

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén