Logopedie voor de ziel

Het was onze tweede reis naar Berlijn. Ernst, Micha, Mario en ik. We gingen met de auto en hadden een appartementje in Freidrichshain. 25 euro per nacht. Belachelijk goedkoop. Ernst had het geregeld, Micha deed de communicatie, want hij kwam uit Limburg en sprak normaal Duits. We stonden in de file en de vrouw van het appartement belde. Ze was boos dat we te laat waren.

     Toen we eindelijk aankwamen, vier lacherige jongens in de twintig, onophoudelijk onbeschoft en luidruchtig zoals alleen Nederlanders dat kunnen, barstte ze uit. Ze wees op haar horloge en blafte ons af. Ze was dik en klein en boos.

     Das habben wir verabredet.

     Ze was iemand van de afspraken. Stipt en principieel. Het hele weekend herhaalden we die woorden.

     Het was die reis dat die Oost-Duitse kogelstootster me in de hoek dreef, waarover Micha schreef in de Playboy. We raakten verzeild in een club die The Magnet heett, waar we een optreden van St. Vincent zagen, die niemand toen nog kende. En daarna was het bier en dansen. Ergens in de nacht verscheen dat roodharige meisje met gespierde schouders. Ze zoende me op mijn mond en beet me ongelooflijk hard in mijn tong. Later aan de bar, waar ze grote flessen bier naar binnen werkte, legde ze me uit dat ze logopedist was, geen kogelstootster, en ze was onder de indruk dat ik wist wat dat was.

     Een logopedist die je op de bek neemt en je tong er bijna af bijt om in je bloed te tongen. Kinky shit, maar op termijn alleen maar ellende. Het leek me beter om er tussen uit te knijpen.

     Eenmaal thuis kwam ik erachter dat ik mijn overhemd in het appartement had laten liggen. Een bijzonder wit overhemd zonder kraag, waar ik erg aan gehecht was. Of het was de herinnering aan die logopediste, die mijn overhemd blijkbaar ook de moeite waard vond. Niets zo mooi als bloed op een wit overhemd.

     Via Micha kreeg ik het nummer van de vrouw en in mijn beste Duits, wat toen even slecht was als nu, legde ik haar de situatie uit. Dat ik mijn shirt had laten liggen. En of ze het terug kon sturen.

     Het was even stil.

     Selbstverständlich.

     Duitsers vinden het vanzelfsprekend om fatsoenlijk te zijn.

     Maar ik moest wel iets terug doen.

     Gouda Käse, zei ze.

     Wat?

     Gouda Käse. Of ik die kon opsturen naar haar? Zo’n ronde.

     Geen probleem, zei ik. Komt voor elkaar.

     En lachend hingen we op. Wiedergutmachung, zo heet dat. Zaken doen met de Oostburen. Ik was in mijn nopjes.

     Het shirt arriveerde al binnen enkele dagen.

     In die tijd werkte ik op de Leidse universiteit. Via de postkamer stuurden wij wetenschappers allerlei onzin de wereld rond. Een Gouda Käse naar Freidrichshain kon er vast wel bij. Maar ik kocht geen kaas. Ik had het druk, ik dacht dat het wel allemaal zou loslopen, ik had mijn shirt terug, mijn tong deed nog pijn, ik vergat dat gekke mens uit Freidrichshain.

     Micha werd gebeld. En daarna belde hij Ernst. En die belde mij.

     De vrouw had hem de huid volgescholden. Waar bleef de Käse? Das haben wir verabredet! Waarschijnlijk had ze al dagen haar hele familie lekker gemaakt met het vooruitzicht van zo’n halve kilo Goude Käse. Misschien was haar familie wel erg arm, hadden ze niets te vreten, waren ze in 1945 door de Russen verkracht, en hoopten ze nu eindelijk op een kadootje uit dat rijke Nederland.

     Die nacht kon ik niet slapen. Ik dacht aan logopedisten die mijn tong eraf beten en dikke Oost-Duitse vrouwen die hun kaas kwamen opeisen. De volgende ochtend vroeg kocht ik een kaas bij de supermarkt, pakte het ding in een doos, briefje erbij en verstuurde het met de universitaire post.

     Een dag of vier later belde ze me op.

     De Käse was gearriveerd. Ze waardeerde het zeer, zei ze.

     Ik zei lachend dat de post in Nederland tegenwoordig heel slecht was, niet zo pïnktlich als de Duitse, zo ging dat hier, het was een zooitje sinds de privatisering. Kapitalisme, oder?

     Ja, zei ze. Nederland was niet meer wat het was geweest.

     Zo was het maar net.

     Ik bedankte haar voor het overhemd.

     Mijn tong doet soms nog pijn. Maar dit terzijde.