Op een middag zag ik vanuit mijn slaapkamer de Chrysler van Opitz ons garagepad oprijden. Ik haastte me naar beneden en wist Opitz op tijd op te vangen, net voordat hij aan zou bellen en door mijn moeder weggestuurd zou worden als de eerste de beste collectant.

     ‘Ik kom jullie halen voor een reisje.’

     Jullie?

     ‘Jou en je vader.’

Ik rende zo stil mogelijk naar binnen, in de hoop dat mama in de garage aan het trainen was met een koptelefoon op haar hoofd en daardoor de motor van de Chrysler niet had gehoord, en ik haalde mijn vader uit de woonkamer. We hadden geluk. Mama was nergens te bekennen.

     Sonia vertrok geen spier toen ik achterin naast haar ging zitten.

     ‘Je pa navigeert, jij let op de vijand,’ zei Opitz tegen me, alsof we op een geheime missie gingen, en mijn vader, die naast hem was gaan zitten, knikte en liet zijn hand liefkozend over het dashboard gaan, alle knopjes en hendels onderzoekend.

     Opitz trapte het gaspedaal in en met een bulderende motor reden we weg. Achter ons onttrok een rookwolk de Duinstraat aan het zicht.

Op de snelweg reed Opitz hard en nonchalant, voortdurend van baantje wisselend, zo erg dat ik misselijk werd, en ook papa keek ongerust uit zijn ogen. Sonia vertrok zoals gewoonlijk geen spier, ze zat naast me met een spiegelende zonnebril op, te doen alsof ze een of andere filmster was, en ik liet haar maar in die waan. Opitz liet een arm uit het raam hangen en wees naar de horizon waar het silhouet van de grote stad opdoemde. We verlieten de snelweg en kwamen via enkele rotondes op een industrieterrein waar we stopten bij een afgebladderde loods. Naast de deur hing een bordje met daarop ‘Chapeau Opitz’. We moesten hem helpen de deur open te trekken.

     ‘Dat is de luchtdruk,’ zei hij. ‘Komt door de temperatuur.’

     Ik dacht dat hij een grapje maakte, maar toen we eenmaal in de loods stonden, raakten we omhuld door koude lucht die uit buizen aan het plafond naar beneden geblazen kwam.

     ‘Een oud mortuarium. Nu gebruik ik het voor mijn hoeden. Alleen koud behouden ze hun vorm. Net als lijken.’

     Sonia en ik gingen dichter bij elkaar staan. Onze adem maakte wolkjes in de lucht.

     ‘Weet je zeker dat de lijken weg zijn?’ vroeg Sonia.

     ‘Dat weet je nooit met lijken,’ zei hij.

     Rijen met kasten reikten tot aan het plafond en in de kasten stonden ontelbare dozen met hoeden, zo ver als het oog reikte.

     Roadrunner

     Montana Peak Crown

     Gunfighter

     Carlson Fedora

     Ringwood

Aan de andere zijde van de loods zagen we dezelfde kasten, nu gevuld met conservenblikken in allerlei soorten en maten. Worst, appelmoes, doperwten, soep. Duizenden blikken soep.

     ‘Hier moet je zijn als de oorlog uitbreekt,’ zei Opitz. ‘Je kan je volvreten met elke dag een andere prachthoed op je kruin terwijl de mensheid zichzelf uitroeit.’

     Scheisse, wie wilde dat niet?

     Mijn vader knikte.

     Opitz legde uit dat die rommel van iemand anders was, een vreemde snuiter met wie hij het magazijn huurde, een knakker die graag compagnon van hem wilde worden maar we wisten uiteraard, zo verkondigde hij, dat Opitz zijn zaken solitair uitoefende. Bovendien zag hij geen heil in een onderneming die hoeden én levensmiddelen verkocht. Het zou hem wellicht geld opleveren (hij fronste), status misschien (hij kuchte), een bedrijf met vestigingen wereldwijd, een gouden toekomst voor zijn dames (brede armbeweging), maar het ging tegen zijn principes in (opgeheven vinger). Een hoed zorgde dat de dromen niet te snel ontsnapten uit dat verwarde brein van ons, terwijl die ingeblikte rommel niets anders was dan door een robot bereidde nachtmerries. In het leven draaide het om andere zaken, om passie en liefde. Zo was het toch? Jongens?

     Sonia en ik zwegen, maar mijn vader zei: ‘Liefde is een vloeistof die, mits zuiver genoeg, bij afkoeling zal kristalliseren.’

     ‘Zo is het maar net, Henri.’

     Uit de binnenzak van zijn colbertjes haalde Opitz een notitieblokje en een potlood en hij zei dat hij de administratie moest doen. Telwerk. Of de kinderen zo vriendelijk waren om zichzelf even te vermaken?

     ‘Ga je mee, Henri?’

     Opitz liep weg, op de voet gevolgd door mijn vader, allebei met de handen op de rug, allebei gewichtig kijkend, alsof ze een uiterst belangwekkende taak gingen uitvoeren.

Sonia en ik slenterden door de grote ruimte en toen we ver genoeg van haar vader waren, boog ze zich naar me toe en fluisterde ze: ‘Ik heb een plan.’

     Een plan?

     ‘Jouw moeder en mijn vader… O kijk!’

     Ze wees naar een hoek van de loods waar een grote, metalen weegschaal stond, eentje waar vroeger pakketten of zelfs mensen op werden gewogen, boksers of jockeys voor een wedstrijd, en misschien was dat laatste wel de reden waarom ze op het apparaat afsnelde. Ze ging op het plateau staan. Vierendertig kilo. Al die tijd wilde ik vragen wat voor een dwaas plan ze nu precies had, met mijn moeder en mijn vader, maar ze duwde me op de weegschaal. Zesendertig kilo.

     ‘Ik wist dat je was aangekomen sinds je niet meer zo idioot doet op die fiets.’

     Ik voelde me beledigd. Ik was niet dikker geworden maar toch was ik ook vereerd door het idee dat ze mij blijkbaar in de gaten hield en dat mijn lichaam haar belangstelling had.

     ‘Mag ik ook even?’

     Opitz was geruisloos onze kant op gekomen, samen met papa. Ik stapte van de weegschaal af en Opitz zette zijn voeten waar de mijne hadden gestaan. Ik knipperde met mijn ogen. Achtenveertig kilo? Hij woog minder dan mijn moeder. Hoe was dat mogelijk?

     Opitz, die mijn verbazing misschien voelde, zei: ‘Engelen nemen zich niet serieus, omdat ze zo luchtig zijn.’

     Was de weegschaal stuk?

     ‘Nu jij, Henri.’

     Mijn vader ging op de weegschaal staan en de wijzer schoot naar de tweeëntachtig kilo.

     Ik ging naast mijn vader staan, en de wijzer schoot precies zesendertig kilo verder. Sonia wrong zich naast ons en toen Opitz. Met z’n vieren stonden we op het plateau, zo dicht mogelijk tegen elkaar aan, en de wijzer hield stil bij tweehonderd kilo.

     Exact.

     Er was niets mis met de weegschaal.

     ‘U zou een goede wielrenner zijn,’ zei ik, en ik had meteen spijt van mijn opmerking. Opitz zou geen goede wielrenner zijn en hij zou nooit wielrenner moeten worden. Godzijdank zei hij niets terug en godzijdank zei ook mijn vader niets. Ik voelde me ongemakkelijk worden en stapte van de weegschaal.

     Opitz schraapte zijn keel en zei dat hij klaar was met de zakelijke kant van het leven. Als wij verder geen dringende zakken in zijn hoedenparadijs te doen hadden stelde hij voor om met z’n allen in de Chrysler te stappen en ergens te gaan lunchen, oesters en witte wijn, en als we dat niet wilden zou hij met evenveel plezier terugrijden naar Brink waar hij met Marcella een dikke sigaar zou roken en wellicht het liefdesspel kon spelen, als mevrouw in een gewillige bui was.

     Hij sloeg amicaal op papa’s schouder.

     ‘Ik zal je wat blikvoer meegeven voor thuis, Henri.’

Buiten was het verstikkend warm. Happend naar adem sleepten we ons naar de auto, zweet gutste langs ons gezicht, en pas toen we met open ramen op de snelweg reden voelden we ons weer enigszins behaaglijk.

     ‘Het contrast,’ riep Opitz boven de motor uit. ‘Dat is de essentie van het leven, Henri. Het contrast!’